1 okt. 2016

Gedicht De Kikker

Uit de slierten van de sloten
Kwam hij slank omhoog geschoten.
Praaide een blad,
En een rukje en een rekje
Aan het buikje en het bekje
en hij zat.

En daar zit hij boven 't plasje,
Als een fijne Franse man.

Spikkel vestje, groene jasje,
Gele zijden sokken 'an.
Met bespottelijke korte armen,
Met belachelijke lange benen.
Zich te warmen
Heel allene.

En al dikker wordt de kikker,
Pompt en perst zich vol en voller
Blaast zijn blazen bol en boller,
Tot het wederzijds zijn wangen wordt,
Als een dubbel uitgedeide doedelzak.
En dan op ene, krachtig, kort:

                       KWAK

En dan kraamt hij uit zijn kaken,
Krakend, kwakend al zijn zaken,
Al zijn kunde en kranigheid.
Maakt zich kwaad en maakt zich boos,
Zweert bij kris en kras en kroos
Groen en geel van nijd.

Stilletjes neem ik een steentje,
Keil het vlak bezij zijn beentje.
Plots een plonsje en wat getril
En het plasje is weer stil.


(Dit gedicht zei mijn moeder vroeger wel eens op, maar het is echt nergens te vinden op internet! Vond ik laatst een discussie erover op facebook: heb 'm nu daar grotendeels van overgenomen, dus als er iets niet klopt en als iemand weet van wie die is, dan HEEL GRAAG REAGEREN!!!)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen