11 okt. 2016

Poema para Galileu (António Gedeão)

Poema que decorei e recitei na aula de português quando era adolescente...

(gedicht die ik als tiener uit mijn hoofd heb geleerd en tijdens de Portugese les had voorgedragen - vrije vertaling van het hele gedicht aan het eind)


Estou olhando o teu retrato, meu velho pisano,
aquele teu retrato que toda a gente conhece,
em que a tua bela cabeça desabrocha e floresce
sobre um modesto cabeção de pano.
Aquele retrato da Galeria dos Ofícios da tua velha Florença.
(Não, não, Galileo! Eu não disse Santo Ofício.
Disse Galeria dos Ofícios.)
Aquele retrato da Galeria dos Ofícios da requintada Florença.


Lembras-te? A Ponte Vecchio, a Loggia, a Piazza della Signoria…
Eu sei… eu sei…
As margens doces do Arno às horas pardas da melancolia.
Ai que saudade, Galileo Galilei!

Olha. Sabes? Lá em Florença
está guardado um dedo da tua mão direita num relicário.
Palavra de honra que está!
As voltas que o mundo dá!
Se calhar até há gente que pensa
que entraste no calendário.

Eu queria agradecer-te, Galileo,
a inteligência das coisas que me deste.
Eu,
e quantos milhões de homens como eu
a quem tu esclareceste,
ia jurar- que disparate, Galileo!
- e jurava a pés juntos e apostava a cabeça
sem a menor hesitação-
que os corpos caem tanto mais depressa
quanto mais pesados são.
Pois não é evidente, Galileo?
Quem acredita que um penedo caia
com a mesma rapidez que um botão de camisa ou que um seixo da praia?
Esta era a inteligência que Deus nos deu.

Estava agora a lembrar-me, Galileo,
daquela cena em que tu estavas sentado num escabelo
e tinhas à tua frente
um friso de homens doutos, hirtos, de toga e de capelo
a olharem-te severamente.
Estavam todos a ralhar contigo,
que parecia impossível que um homem da tua idade
e da tua condição,
se tivesse tornado num perigo
para a Humanidade
e para a Civilização.

Tu, embaraçado e comprometido, em silêncio mordiscavas os lábios,
e percorrias, cheio de piedade,
os rostos impenetráveis daquela fila de sábios.
Teus olhos habituados à observação dos satélites e das estrelas,
desceram lá das suas alturas
e poisaram, como aves aturdidas- parece-me que estou a vê-las -,
nas faces grávidas daquelas reverendíssimas criaturas.

E tu foste dizendo a tudo que sim, que sim senhor, que era tudo tal qual
conforme suas eminências desejavam,
e dirias que o Sol era quadrado e a Lua pentagonal
e que os astros bailavam e entoavam
à meia-noite louvores à harmonia universal.
E juraste que nunca mais repetirias
nem a ti mesmo, na própria intimidade do teu pensamento, livre e calma,
aquelas abomináveis heresias
que ensinavas e descrevias
para eterna perdição da tua alma.

Ai Galileo!
Mal sabem os teus doutos juízes, grandes senhores deste pequeno mundo
que assim mesmo, empertigados nos seus cadeirões de braços,
andavam a correr e a rolar pelos espaços
à razão de trinta quilómetros por segundo.

Tu é que sabias, Galileo Galilei.
Por isso eram teus olhos misericordiosos,
por isso era teu coração cheio de piedade,
piedade pelos homens que não precisam de sofrer, homens ditosos
a quem Deus dispensou de buscar a verdade.

Por isso estoicamente, mansamente,
resististe a todas as torturas,
a todas as angústias, a todos os contratempos,
enquanto eles, do alto incessível das suas alturas,
foram caindo,
caindo,
caindo,
caindo,
caindo sempre,
e sempre,
ininterruptamente,
na razão directa do quadrado dos tempos.    

(e=mc2)




vrije eigen vertaling:

Ik kijk naar je portret, mijn oude Pisaan,
Het portret die iedereen kent,
Waarin je hoofd er prachtig uitkomt
Op een bescheiden doek.
Dat portret in de Gallery of Crafts van je oude Florence.
(Nee, nee, Galileo! Ik zei niet het Heilig Officie - ik zei Crafts Gallery.)
Dat portret van de Crafts Gallery van het prachtige Florence.

Weet je nog? De Brug Vecchio, de Loggia, de Piazza della Signoria ...
Ik weet het... Ik weet het...
De zoete oevers van de Arno tot aan de Bruine uren van melancholie.
O wat een heimwee, Galileo Galilei!

Kijk. Weet je? Daar in Florence
Ligt een vinger van je rechterhand Bewaard in een relikwieënkastje.
Op mijn erewoord!
Wat een omwentelingen van deze wereld!
Misschien zijn er zelfs mensen die Denken dat je ingevoerd bent in de kalender.

Ik wilde je bedanken, Galileo,
Voor de intelligentie van de dingen die je me hebt gegeven.
Ik, en zoveel miljoenen mannen zoals ik,
Aan wie je duidelijke verklaringen hebt gegeven,
Ik zou zweren - wat een onzin, Galileo!
- En ik zou zweren met samengeknepen voeten en met mijn hoofd zonder twijfel als inleg -
Dat objecten sneller vallen
Naarmate ze zwaarder zijn.
Is het niet duidelijk, Galileo?
Iedereen weet dat een rots sneller valt
Dan een knoop van een blouse of een Kiezel van het strand?
Dit was nou de intelligentie die God ons heeft gegeven.

Wat ik me nu herinner, Galileo,
Is dat moment waarop je op een voetenbankje zat
Met voor je
een frame van geleerde mannen, stijf, in toga en kap
Je ernstig aan te kijken.
Ze waren allemaal op je aan het schelden,
Het leek onmogelijk dat een man van jouw leeftijd
en jouw conditie,
een gevaar was geworden
voor de mensheid
en de beschaving.

Jij, vernederd en toegewijd, beet in stilte op je lippen,
en bekeek, vol medelijden,
de ondoorgrondelijke gezichten van die rij wijzen.
Je ogen, gewend aan het observeren van satellieten en sterren,
Kwamen naar beneden van hun hoogten
en streken neer als verbijsterde vogels - het lijkt alsof ik ze zelfs kan zien -
Op de bezwangerde gezichten van die eerbiedwaardige schepsels.

En je zei op alles dat ja, ja meneer, het allemaal precies was zoals
uwe grootheden wensten,
en je zei dat de zon vierkant was en de maan vijfhoekig
en de sterren dansten en in
middernacht lof zongen van de universele harmonie.
En je zweerde nooit meer te herhalen
Niet of jezelf, noch in de intimiteit van je vrije en rustige gedachten,
die afschuwelijke ketterijen
dat je leerde en opschreef
tot eeuwige verdoemenis van je ziel.

O Galileo!
Hoe slecht wisten deze geleerden, grote heren van deze kleine wereld,
dat hoe dan ook, parmantig in hun armstoelen,
Zich al rollend voortbewogen door de ruimte
Met een snelheid van dertig kilometer per seconde.
Jij wist het, Galileo Galilei.

Daarom waren je ogen vol barmhartigheid,
Daarom was jouw hart vol medelijden,
Medelijden voor mannen die niet hoeven te lijden, gelukkige mannen
Aan wie God onthouden heeft om de waarheid te zoeken.
Daarom weetstond je stoïcijns, gedwee,
alle martelingen,
alle angsten, alle tegenslagen,
terwijl zij, vanaf de onbereikbare hoogte van hun hoogten,
vielen,
vallend,
vallend,
vallend,
altijd vallend,
en altijd,
ononderbroken,
recht evenredig met het kwadraat van de tijd. 

(e=mc2)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen